FR EN DE
SS-Auffanglager

Inleiding

Na de Belgische capitulatie op 28 mei 1940 kreeg België een Duitse Militaire Bevelhebber, Generaal von Falkenhausen, en een Militair Bestuur onder leiding van Eggert Reeder. Eind juli 1940 werd de Sicherheitspolizei-Sicherheitsdienst (Sipo-SD), de Duitse politieke politie die een onderdeel was van de SS, officieel in België geïnstalleerd. Reeds de maand erop werd de beslissing genomen om in het ideaal gelegen Breendonk (halverwege tussen Antwerpen en Brussel) een Auffanglager of “opvangkamp” voor gevangenen van de Sipo-SD te installeren.

De eerste gevangenen werden het Fort binnengebracht op 20 september 1940. In het begin was hun aantal nog relatief beperkt: pas in januari 1941 steeg het boven de 100.

“Auffanglager Breendonk” was in een eerste fase een kamp met een gemengde kampbevolking van Joden en politieke gevangenen, alsook enkele gemeenrechtelijke (smokkelaars,...). De Joden werden in deze periode nog niet opgepakt om ze naar Auschwitz te sturen: de systematische uitroeiingpolitiek was toen nog niet in gang gezet. Overtreding van de door de bezetter uitgevaardigde anti-joodse maatregelen kon hen echter wel al een verblijf in Breendonk kosten. Eenmaal de uitroeiingspolitiek op gang kwam, werd medio 1942 de Mechelse Dossinkazerne ingericht als verzamelkamp voor te deporteren Joden: hiermee verdween het overgrote deel der joodse gevangenen uit Breendonk. Hoewel deze dus in het begin een belangrijk deel van de kampbevolking vormden - in de eerste maanden wellicht de helft - maakten ze over de ganse bezetting gerekend slechts ongeveer één achtste van het totale aantal Breendonk-gevangenen uit.

“Auffanglager Breendonk“ was immers op de allereerste plaats een oord waar politieke gevangenen (Belgen of hier verblijvende vreemdelingen) opgesloten werden. Doorgaans werden ze zelfs nooit veroordeeld, maar in “Sicherheitshaft” genomen, een maatregel waardoor de Sicherheitspolizei iedereen kon arresteren die een gevaar voor de bezetter werd geacht. Hun stijgend aantal weerspiegelde de groei van het verzet in het bezette land. Van echt verzet was in de allereerste maanden immers nog nauwelijks sprake. Toch werden ook toen reeds mensen binnengebracht die de Duitsers als een gevaar voor het bezettingsregime beschouwden , of die de bezetter reeds op één of andere manier gedwarsboomd hadden, zoals b.v. een journalist die zijn medewerking aan de NIR/INR (voorloper der BRT/RTB) onder Duitse controle geweigerd had. De  kampbevolking (en het aandeel erin van de politieke gevangenen), verdubbelde na de Duitse inval in de Sovjet-Unie. Op dezelfde dag - 22 juni 1941 - voerden de Duitsers Operatie Sonnewende uit: de massa-arrestatie van communisten en andere extreem-linkse personen, en van zich in België bevindende inwoners van de Sovjet-Unie.

De enorme stijging van de kampbevolking in de zomer van 1941, dreef de SS er op 22 september 1941 voor de eerste maal toe om een groot konvooi van meer dan 100 gevangenen naar het concentratiekamp Neuengamme bij Hamburg te sturen. Van dan af werd Breendonk een doorgangskamp : telkens de kampbevolking tot een onhandelbaar aantal zou uitgroeien, organiseerde de SS een nieuw konvooi naar één van de kampen in Duitsland. Het grootste aantal Breendonk-gevangenen zou in Buchenwald belanden, verder ook – in dalende orde van belangrijkheid - in het Oostenrijkse Mauthausen, het Nederlandse Vucht, het reeds genoemde Neuengamme, Auschwitz (voor de Joden, via de Dossinkazerne), Sachsenhausen en een paar kleinere gevangenissen of tuchthuizen.

Het gevangenenbestand bleef echter nooit lang op het lage peil dat het na het vertrek van zo’n konvooi bereikte: met de groei van het verzet in het bezette land, steeg ook het aantal verzetslui dat in handen van de Gestapo viel en naar Breendonk gebracht werd. In april 1944, voor de eerste ontruiming van het kamp op 6 mei 1944, telde het Auffanglager zelfs 600 à 700 man. In totaal zouden zo’n 3500 gevangenen met de “Hel van Breendonk” kennismaken.

Slechts ongeveer de helft zou het verblijf in Breendonk en de Duitse concentratiekampen overleven.

Het regime

Breendonk kende dan ook een regime als een echt concentratiekamp. De hoge ratio bewakers/gevangenen (gemiddeld 1 op 10) maakte het verblijf in het Auffanglager zelfs tot een grotere beproeving dan een gevangenschap in Buchenwald. In Breendonk kon men immers onmogelijk opgaan in de massa: daarvoor waren de gevangenen niet talrijk genoeg en de bewakers verhoudingsgewijs met teveel.

De meeste gevangenen moesten dwangarbeid verrichten: ze moesten met schoppen, kruiwagens, kipwagens,... de laag aarde en zand waarmee het Fort voor de Eerste Wereldoorlog bedekt was geworden, afgraven en wegvoeren: zo’n 250.000 à 300.000 m³ werd aldus manueel door de 3500 Breendonkgevangenen verwijderd.
De combinatie van loodzware arbeid, hongerrantsoen en dagelijkse brutaliteiten leidden tot de dood van minstens 98 Breendonk-gevangenen, ter plaatse of in het Kriegslazarett van Antwerpen, waar de ergste zieken soms naar toe gebracht werden (medische zorgen en voorzieningen waren voor het overige zeer schaars).

Een eerste belangrijke reeks doden viel in de zomer van 1941, in een periode dat het kamp overbevolkt was na de massale internering van communisten. Deze sterfgevallen lokten zelfs een interventie uit van de in theorie verantwoordelijke doch in de praktijk minstens ten dele machteloze Militärverwaltung – een interventie waarvan de effectiviteit niet altijd zo precies te meten viel, maar toch tot een gestage, zij het beperkte verbetering der rantsoenen leidde. Het nu eens wel, dan weer niet toelaten van de ontvangst van voedselpakketten voor de gevangenen, leidde keer op keer tot een verbetering, dan weer verslechtering van de gezondheidsituatie van de gedetineerden. De ware doorbraak in een verbetering van de rantsoenering der gevangenen kwam er slechts in de laatste maanden van de bezetting, met de voedselleveringen van het Tehuis Leopold III (al werden ook die nog deels verdonkeremaand) en de wisseling van kampcommandant.

Breendonk was door zijn dwangarbeid en ondervoeding het “kamp van de sluipende dood”. Vanaf november 1942 werden er echter ook minstens 164 gevangenen gefusilleerd en - vanaf mei - 1943 21 opgehangen. De gefusilleerden werden terechtgesteld als vergelding voor aanslagen door verzetslui op collaborateurs of Duitse militairen. Opgehangen werd men na een veroordeling voor feiten waarop de doodstraf stond. In mei 1943 gebeurde dit voor de eerste maal met de drie daders van de aanslag op de collaborerende journalist Paul Colin: Arnaud Fraiteur, André Berthulot en Maurice-Albert Raskin.

De parallelle verharding van verzet en bezettingsregime bleef dus niet zonder weerslag op de gang van zaken in het Auffanglager. Een ander symptoom van dezelfde ontwikkeling was de inrichting, medio 1942, van een folterkamer voor het “verscherpt verhoor” van gearresteerde verzetsmensen.

Ook het keren van de oorlogskansen in de winter 1942-1943 zorgde voor een opflakkering van sadisme bij de SS’ers van Breendonk.

De bewakers - Wehrmachtsoldaten, Duitse en Vlaamse SSĺers

In het najaar van 1940 waren de enige SS’ers in Breendonk de kampcommandant, SS-majoor Philipp Schmitt, zijn chauffeur, en Arthur Prauss, SS-luitenant en de man die de dagelijkse leiding over de gevangenen in handen had. Zij hadden van meet af aan de beschikking over een Wehrmachtbataljon van 33 man dat voor de bewaking van het kamp instond. In 1941 werden ze versterkt door andere Duitse SS’ers, en vanaf september van dit jaar door Vlaamse SS’ers, waaronder de beruchte Wyss en De Bodt.

Doorgaans waren deze Vlaamse SS’ers mannen die in het burgerleven niet aan de bak kwamen. Een enkeling uitgezonderd waren ze weinig intellectueel ontwikkeld. Sommigen belandden bij de Sicherheitspolizei omdat ze afgekeurd werden of zelf terugdeinsden voor dienst bij de Waffen-SS.

De Sicherheitspolizei gaf hen een uniform, het zelfbewustzijn dat ze in het burgerleven ontbeerden, en – overduidelijk bij een ex-bokser als Wyss - de kans om latente sadistische neigingen ongestraft en met officiële goedkeuring bot te vieren.

Begin september volgden de meeste Vlaamse SS’ers hun Duitse superieuren richting Duitsland. Terwijl – met kampcommandant Schmitt als voornaamste uitzondering - zowat alle Duitse SS’ers van Breendonk uit de handen van de naoorlogse Belgische justitie wisten te blijven, werden de meeste Vlaamse SS’ers rond of na de Duitse capitulatie opgepakt. Samen met enkele Zugführers of kameroversten, zoals b.v. de Weense Jood Walter Obler, die zich wreed gedragen hadden tegenover hun medegevangenen, werden zij veroordeeld op het Proces van Mechelen: de meerderheid van hen – 12 man – werd begin 1947 gefusilleerd tijdens druk bijgewoonde openbare terechtstellingen. Kampcommandant Schmitt onderging hetzelfde lot in 1950.

Actualiteit

Algemeen
Morgen
Vandaag
Gisteren

Bezoek aan het Gedenkteken

Wie zijn we
Het Gedenkteken
Geschiedenis
Virtueel bezoek (360░)
De kunstenaars

Frequently Asked Questions

Geschiedenis
Praktisch
Plan van het fort

Algemene inlichtingen

Openingsuren
Bereikbaarheid
Inkomprijzen
Begeleid bezoek
Restaurant
Fotograferen
Reglement van het bezoek

Leerkrachtenhoek

Inleiding
Praktische gegevens
Infrastructuur
De audiovisuele getuigenissen
Interactieve zaal
Gedenkboek
Plan van het parcours
Pedagogisch dossier
Seminaries
Bibliografie

Contacten en links

Guestbook
Contacteer ons
Links

Online reservering

Seminaries

Fototheek