| In
1938 tekent Jacques Ochs, directeur van de Academie van Schone Kunsten
van Luik, een karikatuur van Hitler met bloedende handen in het
satirische tijdschrift “Pourquoi Pas?”. Hij wordt verklikt
en op 17 november 1940 gearresteerd in zijn bureau.
Na opsluiting in de gevangenis van Saint-Léonard
in Luik en het gebouw van de Gestapo in de Brusselse Louisalaan,
wordt Ochs op 7 december 1940 naar Breendonk gebracht. Hij wordt
er gevangene n°56. Majoor Schmitt stelt hem voor de Zeichendienst
aan. Ochs moet voor de kampcommandant schetsen maken van de gevangenen.
Elke avond moet hij zijn tekeningen toevertrouwen aan de kameroverste
die ze aan de SS overhandigt. In werkelijkheid staat Ochs alleen
kopieën af en verbergt de originelen. Ochs wordt ziek en wordt
overgebracht naar het Militair Hospitaal van Antwerpen, waar hij
op 20 februari 1942 door de bemiddeling van koningin Elisabeth vrijgelaten
wordt. Hij slaagt er in om het merendeel van zijn tekeningen stiekem
het kamp uit te smokkelen. |